Narcose en plaatselijke verdoving

De meestvoorkomende vormen van anesthesie (verdoving) bij operaties:

Algehele anesthesie of narcose
Hierbij wordt uw hele lichaam verdoofd en bent u tijdelijk buiten bewustzijn.
U bent aangesloten aan bewakingsapparatuur die uw hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur weergeven. Met behulp hiervan bewaakt de anesthesioloog deze vitale functies, die hij/zij zonodig kan bijsturen. U krijgt het narcosemiddel (bestaand uit een slaapmiddel, een spierverslappend middel en pijnstilling) via een infuusnaald in een bloedvat toegediend. U valt binnen een halve minuut in slaap. Daarna wordt de beademingsbuis via uw mond in uw luchtpijp geschoven.
 
Regionale anesthesie
Hierbij wordt een deel van uw lichaam gevoelloos en bewegingloos gemaakt. De bekendste vorm van regionale anesthesie is de ruggenprik. Daarbij wordt het gebied onder de plaats van de ruggenprik tijdelijk ‘uitgeschakeld’. Er kan ook een slangetje worden ingebracht, een epidurale catheter, waardoorheen ook tot langere tijd na de operatie pijnstilling kan worden toegediend.
In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. De anesthesioloog injecteert bij een ruggenprik een verdovend middel rondom deze zenuwen. Hierdoor worden pijnprikkels en bewegingsimpulsen tijdelijk niet meer doorgegeven. Volgens hetzelfde principe kan bijvoorbeeld een arm worden verdoofd. De injectie wordt dan toegediend bij een zenuwknooppunt in de oksel of de hals.
Tijdens regionale anesthesie bent u bij bewustzijn. De operatie is aan uw zicht ontrokken door doeken. Als u er liever niks van meemaakt, dan kunt u een licht slaapmiddel krijgen.
U wordt tijdens de operatie bewaakt door de anesthesioloog, die zonodig uw bloeddruk en de anesthesie bijstuurt.
 
Combinatie-anesthesie
Bij grote operaties wordt vaak een combinatie toegepast van regionale en algehele anesthesie.